Lambert van Tiel: “Wij verzorgen dus de planten, de bomen, struiken en we geven daar ook excursies over, uiteraard. Want daar gaat het over dat de mensen dus eindelijk eens inzien, hoever ze de natuur naar de knoppen geholpen hebben. Wij hebben eindelijk vanaf, hoe ik dat zeggen, de jaren 60 zijn we al heel actief geweest bij de IVN. Dat is het instituut voor natuurbehoud om de natuur aan de mensen over te dragen, hoe belangrijk dat dat is, want dat is ontzettend belangrijk. Dat komt nou wel ter sprake, ook in de kranten en overal met die opwarming van der aarde.
 
Daar hebben we toen eigenlijk al een beetje aan zien komen. De ruilverkaveling is een hele, hele goeie, goeie economische, maar ‘n slecht natuur ramp geweest. Al de kleinschaligheid is verloren, ze moesten allemaal groter en groter. Dat is natuurlijk niet bewust gebeurt, maar het is er wel onbewust ingeslopen. En nu moet alles veel zo’n beetje terug.
 
We hebben dus ook weer dus rechte sloten kregen. Die moeten allemaal weer gemeandert worden, want het water gaat er veel te snel uit uit ons land. Zodoende is toch zachtjesaan alles aan het veranderen. Vooral het klimaat. We hebben nou al drie, vier ontzettende droge jaren gehad en nu hebben we een een normale zomer, die we vroeger ook hadden. En nou wordt er gezegd: kijk, dit is nou de natuur verandering, alles verzuipt.
 
Dat is niet zo, absoluut niet. Nee, we hebben we zeker net zo veel water een vroeger gehad, als dat we hebben. De (heem)tuin, die hebben we dus als voorbeeld gesteld om de natuur in stand te houden, vooral de oude rassen van vroeger. Het is in zekere zin zo ver gelukt, dat er toch heel veel mensen belangstelling gekregen hebben daarvoor. Niet alleen voor de oude rassen maar ook voor de insecten, voor de vogels en noem maar op, al wat er maar te maken heeft natuurlijk.”